Gebiedsbeschrijving
en
beheer
Het circa 100 ha groot natuurgebied, de Plantage Willem III, ligt ten
noordwesten van Rhenen op de zuidwestflank van de Utrechtse Heuvelrug.
De provincie Utrecht heeft in 2000 een gedeelte van het gebied
aangewezen als Aardkundig Monument, namelijk een opvallend
sneeuwsmeltwaterdal dat dateert uit de laatste ijstijd, het Weichselien,
en in het noordelijk deel vanuit het aangrenzende (en er één geheel
mee vormende) natuurgebied Remmerdense Heide het gebied in loopt. Het
gebied als geheel is geologisch gezien een sandr, een smeltwaterwaaier
van het gletsjerijs uit de voorlaatste ijstijd, het Saalien, dat zich
toen in de Gelderse Vallei bevond. Daardoor is zand naast leem en grind
een hoofdbestanddeel van de bodem die licht hellend tussen 52 en 12
meter boven NAP afloopt van noordoost naar zuidwest.
Stichting Het Utrechts Landschap heeft de eerste paar jaren van het
beheer op grote delen van het gebied rogge geteeld met als doel de uit
het eerdere landbouwkundige gebruik nog vol op aanwezige voedingsstoffen
c.q. de 'onnatuurlijk' rijke bovenlaag uit te putten. Zonder dit
overgangsbeheer vreesde men een snelle invasie van ruigtegrassen zoals
Gestreepte witbol. Najaar 1997 heeft de beheerder 4 halfwilde paarden (Koniks)
en 7 runderen (Galloways) in het gebied gebracht om dit door begrazing
open te houden. Intussen hebben deze aantallen zich ongeveer verdubbeld.
Bovendien lopen er enkele damherten terwijl ook reeën, komend van de
Remmerdense Heide, er graag het gezelschap van de andere grazers
opzoeken en zich minder schuw betonen dan we meestal bij deze dieren
ervaren. Alles bij elkaar betekent dit een aantal van circa 1 GVE (=
Grote Vee Eenheid) per 8 hectare, daar de Remmerdense Heide 116 ha groot
is. Voor een beheer met jaarrondbegrazing van een schraal grasland annex
naald- en loofbos is dit misschien toch nog wat aan de krappe kant met
het oog op een voldoende openhouden van het gebied en tegengaan van
verruiging.
KNNV
De KNNV Wageningen en Omstreken vond dit een interessant gebied om de
natuurwaarden in 2004 als in een "tussenbalans" eens vast te
stellen. Daarom is een inventarisatie uitgevoerd van hogere
planten, inclusief mossen, broedvogels, sprinkhanen, libellen en
dagvlinders.
Samenvatting inventarisatieresultaten
Er deden in totaal 28 personen aan de inventarisatie
mee, verdeeld over Vaatplanten (6), Mossen (3), Broedvogels (15),
Sprinkhanen (3), Libellen (2) en Dagvlinders (4), waarbij 5 personen aan
2 of 3 groepen meededen. Vooral voor de vogels was er dus veel
belangstelling wat betekende dat de meeste vogeltellers maar 1 of 2 maal
hun rondgang behoefden te maken.
In totaal troffen we 262 soorten vaatplanten aan en
met die uit 2003 er bij zelfs 279. De akkerplanten (en tredplanten)
zoals Akkerdoorn, 3 Kamillesoorten, Korenbloem, Akkerleeuwenbek,
Akkerviooltje, Kaal knopkruid, Kleine leeuwenklauw, Gewoon
langbaardgras, Canadese fijnstraal en Varkensgras, maakten reeds
grotendeels plaats voor soorten van schrale graslanden zoals Gewoon
biggenkruid en Jacobskruiskruid (beide zeer talrijk!), Sint-Janskruid,
Hazenpootje, Zandblauwtje, Muizenoor, Veldereprijs, Brem en Zand- en
Akkerhoornbloem. Maar ook enkele soorten van (vochtige) bemeste
graslanden zoals Gewone hoornbloem, Gewoon duizendblad, Smalle weegbree
en Gestreepte witbol werden op veel plekken dominant en dit zal
ongetwijfeld samenhangen met de vroegere bemesting die hier al vanaf
1853 aanwezig was.
Enkele jaren roggeteelt zonder bemesting (1996/97)
heeft kennelijk onvoldoende voor verschraling kunnen zorgen want daarmee
had men vooral een dominantie door Gestreepte witbol willen voorkomen.
Ook de toename van het stevige Duinriet is geen goed teken. Duinriet
weet te profiteren van een verhoogd stikstof aanbod en vormt haarden
waarin voor andere planten niet veel plaats is. Bosdroogbloem is een
Rode Lijst soort die hier zeer massaal is komen groeien. Enkele andere
interessante Rode Lijst soorten zijn Duits viltkruid, Dwergviltkruid,
Kruipbrem, Stekelbrem en Steenanjer. Voorts is het wonderlijk te zien
hoe massaal Oranje havikskruid zich hier heeft weten te vestigen en hoe
Digitalis lanata, die hier in het verleden is gekweekt, zich weet
te handhaven.
In enkele hoeken van de Plantage is de bosvorming is
al snel op gang gekomen, vooral door Grove den en Ruwe berk, en daarom
zijn we benieuwd of de begrazing door konik paarden en galloway runderen
(plus enkele damherten en reeën) voldoende zal zijn om het beoogde
'half open landschap' met zijn nu nog zo fraaie uitzichten naar Elst en
Betuwe tot stand te doen komen.
Van de Mossenflora werd de aanwezigheid van 48
bladmossen en 3 levermossen vastgesteld waaronder slechts één van de
Rode Lijst, Klein rimpelmos. Dit is een leemindicator en pioniersoort
die ontdekt werd op de lemige oever van een in de zuidhoek ten behoeve
van vooral de Rugstreeppad gegraven poel. De talrijkste soort is Bleek
dikkopmos en ook Zandhaarmos, Breekblaadje, Gewoon purpersteeltje,
Gewoon gaffeltandmos en Heideklauwtjesmos zijn in het gebied algemeen.
Gaaf kantmos is een interessante neofiet. Toch is het totaal aan mossen
aan de schrale kant wat is toe te schrijven aan de geringe variatie in
het terrein. Vocht minnende soorten en epifyten vinden hier uiteraard
weinig groeikansen.
Er zijn 38 soorten Broedvogels aangetroffen,
een aantal dat ook al in 1999 was vastgesteld. Toch zijn er wijzigingen:
Glanskop, Grasmus,
Graspieper, Huismus, Patrijs, Putter en Tuinfluiter
werden niet meer gehoord of gezien, maar Bosuil, Grauwe vliegenvanger,
Groene specht, Groenling, Kneu, Nijlgans en Roodborsttapuit waren nieuw
op de lijst. De laatstgenoemde soort is samen met de Geelgors en de
Boompieper typerend voor een open gebied met losse groepen struiken en
bomen.
Van de 38 soorten staan er 4 op de Rode Lijst 2004,
te weten Grauwe vliegenvanger, Groene specht, Kneu en Ringmus. Het
totaal aantal territoria nam spectaculair toe, van 160 naar 262! In de
winter is de Klapekster er regelmatig waar te nemen! Veel recreanten
hebben de Plantage al ontdekt als prettig wandelgebied maar mogelijk
verstoren te vrij gedragende wandelaars het (potentiële) broeden van
grondbroeders als Graspieper, Fazant, Patrijs, Kwartel en Tapuit.
Er werden maar liefst 14 soorten Sprinkhanen waargenomen.
Dit was niet geheel onverwacht want een dermate aan de zon geëxposeerd
schraal grasland heeft een gunstige uitgangspositie. Twee staan op de
Rode Lijst namelijk de Sikkelsprinkhaan (pas sinds kort in Nederland!)
en het Zoemertje. Het Zeggedoorntje werd alleen langs de gegraven poel
gevonden. In de vlakke delen met een wat hogere en dichtere begroeiing
met veel Jacobskruiskruid zaten weinig sprinkhanen. Het is jammer dat de
Veldkrekel er (nog) niet zit.
Als vijfde groep de Libellen. Hiervan zijn 17
soorten gevonden, met de hoogste concentraties in de zuidelijke delen
zoals het gedeelte met de eerder genoemde poel. Gelukkig kunnen de grote
grazende zoogdieren hier niet bij komen wegens afzetting door
schrikdraad, anders zou vertrapping optreden en de poel zich lang niet
zo gunstig kunnen ontwikkelen. De Bruine waterjuffer en de Tengere
pantserjuffer zijn Rode Lijst soorten. Vooral het Lantaarntje is
talrijk.
Van de Dagvlinders werden slechts 15 soorten
geteld. Vooral veel Zwartsprietdikkopje, Klein koolwitje, Kleine
vuurvlinder, Bruin blauwtje (Rode Lijst), Icarusblauwtje en Bruin
zandoogje. Dit is begrijpelijk gezien de aanwezige soorten
(waard)planten. Het Bruin zandoogje was de absolute topper met maar
liefst 2236 getelde exemplaren! De verspreiding der soorten over het
gebied is vooral uit de aanwezigheid van bloemrijke kruiden, grassen en
beschutting door struiken te verklaren.
Als 'extra' zijn er natuurlijk de 'losse
waarnemingen'. Om te beginnen uiteraard het in feite talrijkste
diertje van de gehele Plantage, dat is de Sint-Jakobsvlinder waarvan er
enkele duizenden imago's rondvlogen maar zeker vele honderdduizenden
rupsen het vele Jacobskruiskruid kaal vraten. De plant komt echter
steeds weer terug. Andere waargenomen insecten: Rozenkever, Koperen tor,
Grote rupsendoder, Steenhommel, Hoornaarroofvlieg, enz. Ook de Wespspin
werd weer gezien. De Zandhagedis werd vele malen waargenomen en de
Levendbarende hagedis enkele keren. Voorts meerdere Hazen, soms een
Konijn en enkele Reeën.
Tot slot zijn door ons enkele beheersaanbevelingen
gedaan. Tegen verruiging, vergrassing en bosvorming zou een nog wat
hogere veedichtheid kunnen bijdragen, terwijl bij een mogelijke
vervilting door Gestreepte witbol, Duinriet, Gewoon struisgras en/of
Bochtige smele extra maatregelen als afplaggen, maaien en afvoeren en/of
afbranden niet bij voorbaat moeten worden uitgesloten. Te veel bos zou
je uiteindelijk misschien wel moeten kappen. Een zonering van de
recreatie en een strikt beperken van het wandelen tot de uitgezette
wandelpadenroute zouden mogelijk kunnen bijdragen aan een terugkeer van
enkele zeldzame broedvogels. De aangelegde poel moet je niet laten
verlanden zowel wat betreft het (open) water als de oever. Er moet dus
af en toe worden geschoond bijvoorbeeld de oprukkende Lisdoddes.
Veel plezier bij het wandelen en waarnemen in dit
interessante gebied.
Rapport:: KNNV Wageningen en Omstreken, 2005. Inventarisatie van
de Plantage Willem III. (red. G.M. Bax en G.M. Sanders). |
Klik op foto voor uitvergroting
|