Inventarisatie Kwintelooijen 2006
| |
(foto: Dirk Prins) |
Rapport Kwintelooijen 2006In 2006 is door de leden van de KNNV afdeling Wageningen en omstreken, Vereniging voor Veldbiologie, een inventarisatie uitgevoerd van de planten en dieren in de voormalige zandgroeve Kwintelooyen..Op 7 april 2008 is het rapport van de inventarisatie van Kwintelooijen in 2006 aangeboden aan de burgemeester van Rhenen, de heer J.H.A. van Oostrum. Hieronder vindt u de belangrijkste resultaten, conclusies en aanbevelingen va de inventarisatie. |
|
Inleiding Sinds de inventarisatie in 2000 zijn, mede op basis van de veldwaarnemingen en aan de hand van aanbevelingen van de inventariseerders, enkele beheersmaatregelen in dit gebied uitgevoerd: Door middel van de herkartering in 2006 wil de KNNV vaststellen of de plaatsgevonden veranderingen van invloed zijn op de aanwezige soorten. Hebben de uitgevoerde beheersmaatregelen effect gehad? Daartoe zijn de resultaten vergeleken met de voorgaande inventarisatie en op basis daarvan hebben de auteurs enkele aanbevelingen gedaan. Gebiedsbeschrijving Het natuur-/dagrecreatieterrein Kwintelooijen, ook wel de Dikkenberg genoemd ligt ten zuiden van Veenendaal en noordwestelijk van Rhenen op de overgang van de Utrechtse Heuvelrug en de Gelderse Vallei. Deze voormalige zandafgraving gelegen op de noordoosthelling van de Heuvelrug omvat 74 ha. natuur- en recreatieterreinen en is in beheer bij het Recreatieschap Utrechtse Heuvelrug, Vallei- en Kromme Rijngebied. ![]() Om de belangen van natuur en recreatie niet te laten botsen, heeft het Recreatieschap Utrechtse Heuvelrug, Vallei- en Kromme Rijngebied gekozen voor een zonering in het gebied. Het oostelijk deel van het terrein is ingericht voor intensieve dagrecreatie en in het westelijke deel wil men het natuurlijk karakter behouden. Om het recreatieve gedeelte af te schermen van het natuurgedeelte heeft het Recreatieschap het centrale en westelijke deel van het terrein omheind en hier zijn enkele Schotse Hooglanders ingeschaard om het terrein open te houden. Inventarisatieresultaten In 2006 zijn inventarisaties uitgevoerd van hogere planten, mossen, dagvlinders, paddenstoelen, vogels, amfibieën, reptielen, vissen, loopkevers, libellen, en graaf- en bladwespen. Uit de inventarisatie wordt duidelijk hoe belangrijk Kwintelooijen is voor flora en fauna. De grote variatie in gradiënten zorgt voor een hoge biodiversiteit in dit gebied: het aantal soorten is hoog en er is een groot aantal rode-lijstsoorten in het gebied aangetroffen (zie tabel).
Conclusies en aanbevelingen Geconcludeerd kan worden dat het beperkt mogelijk is om eenduidige conclusies te trekken, omdat het beeld per geïnventariseerde soortengroep nogal verschilt. Bij mossen en libellen is er sprake van een onverwacht sterke toename in het aantal soorten. Het gebied was al erg rijk aan soorten, maar desondanks is het aantal soorten nog sterk toegenomen. Leden van de mossenwerkgroep geven aan in de tussenliggende jaren veel kennis opgedaan te hebben en mogelijk voorheen soorten over het hoofd gezien hebben. En wat waarschijnlijk ook kan hebben bijgedragen aan de toename, is het feit dat het meestal gaat om soorten die zich gemakkelijk kunnen verspreiden door middel van sporen. Libellen hebben daarnaast geprofiteerd van de aanleg van enkele nieuwe poelen. In de ondiepe poelen worden de larven minder gepredeerd door vissen. In hoeverre zachte winters van invloed zijn, is niet bekend. Bij de vaatplanten lijkt eerder sprake te zijn van een stabilisatie. Een groot aantal meer ruderale planten die in het verleden kortstondig in Kwintelooijen voorkwamen zijn niet meer teruggevonden, maar bij de soorten van schrale graslanden en pioniermilieus zijn er geen grote veranderingen. Voor vestiging van nieuwe soorten lijkt de zaadverspreiding een beperkende factor te zijn. Zo komen in het gebied veel soorten van vochtige heide voor, maar ontbreekt de meest kenmerkende soort: de Dopheide, domweg doordat de soort het gebied nog niet heeft kunnen bereiken. De verwachting is dat op lange termijn er nog wel een uitbreiding van het aantal soorten mogelijk is, maar dat dit sterk afhankelijk is van de aanvoer van zaad. Voor soorten met stoffijn zaad, bijvoorbeeld orchideeën, is verspreiding geen probleem, zoals blijkt uit de vestiging van de keverorchis en eerder de rietorchis. Bij vogels, vlinders, amfibieën en wespen worden de resultaten sterk beïnvloed door verschillen in weersomstandigheden en waarnemingsintensiteit; het is daarom moeilijk om harde conclusies te trekken uit de verschillen tussen waarnemingen in 2000 en 2006. Bij de vogels is wel duidelijk dat er een achteruitgang is bij de moerasvogels, mede door het verdwijnen van rietvegetaties bij de aanleg van de nieuwe plasjes. Dit is waarschijnlijk een blijvend effect doordat de Schotse hooglanders een grote voorliefde hebben voor jong riet en andere moerasplanten en het is dus niet waarschijnlijk dat weer op grote schaal nieuwe gesloten moerasvegetaties zullen ontstaan. Bij de voor dit gebied meest kenmerkende soorten, namelijk de soorten van halfopen landschap, is gelukkig geen achteruitgang waargenomen. Uitzondering is de geelgors, die in 2006 veel minder voorkwam dan in 2000. De toekomst moet leren of dat om een eenmalige achteruitgang of om een structurele achteruitgang gaat. Bij de amfibieën was een belangrijke vraag of de aanleg van nieuwe poelen inderdaad een positieve invloed heeft gehad op het aantal rugstreeppadden. Daarbij moet de kanttekening worden geplaatst dat het voortplantingssucces van deze soort, die afhankelijk is van ondiepe droogvallende poelen, sterk afhankelijk is van de weersomstandigheden en dat de aantallen van deze soort daardoor sterk van jaar tot jaar kunnen verschillen. Aanvankelijk leek het aantal geslachtsrijpe rugstreeppadden in het voorjaar erg tegen te vallen. En door het vallen van een gat in de waarnemingsfrequentie werden ook weinig larven gezien na de eerste eierafzettingen. Echter in september en oktober werd toch een opmerkelijk groot aantal rugstreeppadjes waargenomen die richting het recreatieterrein trokken. Zo lijkt het voortbestaan van deze soort in Kwintelooijen gewaarborgd. Wel zou rekening gehouden moeten worden met het feit dat de terugkeer van de rugstreeppad tijdens hun voortplantingsseizoen (april/mei) samenvalt met de motorcross rond Hemelvaart. Omdat ze zich ook ophouden in het recreatieterrein, waar ze zich ingraven in de grond, lopen ze gevaar te worden ondergefreesd en vertrapt en dat is niet de bedoeling van het poelenproject. Onverwacht was de waarneming van een ringslang in het gebied; het is spannend om de komende jaren te volgen of het gaat om een eenmalige gebeurtenis, of dat de soort zich hier blijvend kan vestigen. In onderstaande tabel staan per soortengroep enkele beheersaanbevelingen genoemd. Omdat er zoveel verschillende soorten organismen voorkomen met zulke verschillende eisen aan het milieu, is het lastig om een beheer te voeren dat voor alle aanwezige organismegroepen en soorten gunstig uitpakt. Soms zijn er tegenstrijdige eisen tussen organismegroepen, zoals blijkt bij het graven van de nieuwe poelen. Dat pakt gunstig uit voor libellen en amfibieën, die afhankelijk zijn van ondiep open water, maar ongunstig voor moerasvogels die hebben geleden door het verdwijnen van dekking. Nog enkele voorbeelden: de plantenwerkgroep pleit voor een kleine uitbreiding van de begrazing, terwijl dit door andere groepen zoals b.v. voor graafwespen weer als ongunstig wordt beschouwd, omdat daarmee nesten en nestgelegenheden verloren gaan. Tevens pleit de plantenwerkgroep voor het deels afplaggen van oude hei, terwijl oude hei voor de populatie zandhagedissen juist weer van belang is. Aanbeveling is het beheer toe te spitsen op beschermde soorten, omdat de eisen die deze soorten aan hun leefgebied stellen vaak overeenkomen met andere (zeldzame) soorten van hetzelfde habitat. Zo is de zandhagedis een goede indicator voor faunistisch diverse heide. De eisen die deze soort aan zijn leefgebied stelt, komen overeen met die van andere (soms eveneens bedreigde) diersoorten, waaronder een aantal vogels, andere reptielen en insecten, zoals de blauwvleugelsprinkhaan en de heidevlinder. Zowel de Zandhagedis als zijn leefgebied (heidebegroeiingen) vallen onder de Habitatrichtlijn van de E.U. en dit verplicht de betrokken terreineigenaren om maatregelen te nemen. Voor de meest bedreigde soorten van Kwintelooijen wordt aanbevolen om een geïntegreerd beheerplan te maken. Een algemene eis die kan worden geformuleerd is: de aanwezigheid van voldoende open pioniermilieus in de vorm van zandige hellingen en ondiepe weinig begroeide poelen. Veel van de in Kwintelooijen waargenomen soorten zijn afhankelijk van dit soort milieus, die in Nederland zeer zeldzaam zijn geworden en die dus van grote betekenis zijn voor instandhouding van de biodiversiteit. De inzet van grote grazers en het periodiek verwijderen van boomopslag kan helpen om de vegetatie open te houden, maar is niet voldoende om open pioniermilieus in stand te houden dan wel te scheppen. Dit blijkt onder meer uit de snelle terugkeer van berkenopslag en het ontstaan van braamstruwelen op plekken die gekapt zijn. Daarom zullen incidenteel en pleksgewijs meer ingrijpende maatregelen nodig zijn om weer nieuwe pioniersituaties te scheppen, zoals dat nu gebeurd is bij de aanleg van nieuwe poelen op een plek die eerder was dichtgegroeid met wilgenstruweel. Daarbij zijn niet alleen de wilgen maar ook de humusrijke toplaag verwijderd. Bij toekomstige inventarisaties is het raadzaam om ook de waterkwaliteit mee te nemen in het onderzoek. Hier is in het kader van deze inventarisatie niet naar gekeken. Wat is b.v. het effect van de begrazing en de uitgezette vissen op de kwaliteit van het water en de biodiversiteit in de poelen? Spoelen er veel nutriënten vanuit het opgeworpen pad tussen de poelen uit naar het water van beide poelen? En hoe zit het met de vervuiling na een motorcross? Is het water dat langs de geulen van het motorcrossterrein naar de nieuwe poel stroomt niet een te grootte belasting voor de waterkwaliteit van de poelen? Waarschijnlijk is de aanwezigheid van vissen, en dan met name van uitgezette karpers, van invloed op de waterkwaliteit. Opvallend is dat in het westelijk stukje van de grote plas, dat met een dam is afgescheiden van de rest van de grote plas, sprake was van zeer helder water met veel waterplanten. En dat terwijl in de grote plas zelf al jaren lang sprake is van zeer troebel water met een doorzicht van hooguit enkele decimeters. De belangrijkste oorzaak is waarschijnlijk het massaal voorkomen van karpers in de grote plas die daar de bodem omwoelen. Het wegvangen van vis kan daarom waarschijnlijk een belangrijke bijdrage leveren aan het verbeteren van de waterkwaliteit. Gelukkig is het het recreatieschap indertijd gelukt om voor het centrale hellinggebied ontheffing te krijgen van de herplantingsplicht die voor heel Kwintelooijen geldt volgens de Boswet. Uitvoering van deze wet, zoals door de provincie geëist, zou ongetwijfeld hebben geleid tot het verdwijnen van het merendeel van de natuurwaarden in het gebied. De tol die daarvoor is betaald, is dat in het recreatiegebied, op een niet meer gebruikt deel van de crossbaan, bos is aangeplant. Daarmee neemt het aandeel pioniermilieus af en zal het ook moeilijker worden om de nog resterende open stukjes in het oostelijke deel van het gebied open te houden. Omdat juist hier veel soorten van vochtige heiden voorkomen (onder meer Trekrus en Stekelbrem) vragen we het recreatieschap om hier voldoende open plekken te handhaven. Herplant is hier eigenlijk totaal overbodig, omdat ook zonder herplant het gebied binnen enkele jaren geheel zal dichtgroeien met (pionier-) boomsoorten. Over het algemeen is de Boswet een gunstige wet, voor het behoud van onze bossen, maar in Kwintelooijen zou de habitatrichtlijn, zoals die vastligt voor beschermde soorten als zandhagedis en rugstreeppad e.a. prioriteit horen te krijgen. Wat betreft recreatie blijft de aanbeveling uit het vorige rapport gelden dat een goede balans moet worden gevonden tussen recreatie en natuurbehoud. Als het centrale moerasgebied minder toegankelijk gemaakt wordt, zal de avifauna hier voordeel aan hebben. Het bij toerbeurt open stellen van hellingpaden en dan weer enkele jaren afsluiten/braak-laten-liggen om overbelasting te voorkomen, zou de erosie kunnen bevorderen. Met enige uitleg hebben de meeste wandelaars hier begrip voor.
|
Klik op foto's voor uitvergroting plantenwerkgroep KNNV afd. Wageningen e.o.
Duits viltkruid
Grondster
Stekelbrem
(foto: Dirk Prins)
bloedrode heidelibel
Kleine Tijm
Rietorchis
Slijkgroen
bijenwolf
geologisch monument
Echt duizendguldenkruid
Fraai duizendguldenkruid
(foto: Paula Goudzwaard)
rugstreeppadje
Borstelbies
Grote waterranonkel
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
laatste wijziging: 18-07-2008