Inventarisatie landgoed Kolland

Klik op foto voor uitvergroting

Doorkijkje richting Utrechtse Heuvelrug
(foto: Han Runhaar)

Algemeen

Op verzoek van de beheerder van het Landgoed Kolland zijn in 2004 zowel de hogere planten als de broedvogels geïnventariseerd. Voor de mossen gebeurde dit reeds 3 jaar eerder. Ook de paddenstoelenflora is het laatste paar jaar goed onderzocht door  biologen van de Provincie Utrecht. Laatstgenoemden deden dit ook al recentelijk voor de hogere planten zodat we daarmee enige vergelijkingen konden maken hoewel zij tevens een gebiedje in de uiterwaard in hun inventarisaties betrokken. In 1999 verrichtte de KNNV Vogelwerkgroep al een eerdere broedvogelinventarisatie..

Voor de leden van de KNNV Wageningen was dit een interessante gelegenheid om een zeldzaam biotoop te kunnen bezoeken, dat anders alleen op de paden voor publiek toegankelijk is. Een binnendijks bos annex weiden en akkers op vochtige rivierklei, maar vooral het essenhakhout dat op nog maar weinig plaatsen in Nederland wordt geëxploiteerd, is weer eens iets geheel anders dan bijvoorbeeld gebieden op de Veluwe of Heuvelrug of die van de Rijnuiterwaarden.

 

Gebiedsbeschrijving

Het Landgoed Kolland is 118 ha groot en ligt circa 2 km ten westen van Amerongen tussen de winterdijk van de Nederrijn aan de zuidoostzijde en de Ameronger Wetering nabij Leersum (en de Utrechtse Heuvelrug) aan de noordwestzijde.  Aan de zuidkant wordt het gebied begrensd door de Lekdijk, aan de oostkant ligt het landgoed Zuylestein.  

Qua gebruik en landschap is het zeer gevarieerd van samenstelling, met een afwisseling van langwerpig rechthoekige percelen en perceeltjes weiden, akkers, essenhakhout, essenbos, eikenbos, populierenbos, gemengd bos (ook met berken), eikenlanen, paden en wegen met rijen eiken, populieren, elzen en knotelzen, wilgen of struwelen daarvan, knotwilgen, met tussenliggend veel sloten, slootjes en greppels (in een noordwest-zuidoostoriëntatie), zodat je bijna van een 'romantisch' landgoed kunt spreken. Er liggen aan de randen enkele pachtboerderijen en in het gebied is ook een burgerwoning aanwezig.

Het Landgoed is in het begin van de 20e eeuw als jachtterrein aangekocht door de grootvader van de voorlaatste eigenaar-beheerder de heer Jhr.Mr.L.H.N.F.M. Bosch Ridder van Rosenthal die eind 2004 is overleden. Het is al eerder ondergebracht in een familie BV die valt onder de Natuurschoonwet. Volgens de huidige beheerder (tevens voorzitter van de BV) W. de Beaufort was Kolland vanouds een productiebedrijf met eiken- en essenhakhout en fruitboomgaarden maar is het eikenhakhout omgevormd tot opgaand eikenbos en de boomgaarden tot grasland. De staken van het essenhakhout werden verkocht voor waterwerken en stelen van gereedschap; de zevenjarige cyclus van het hakken wordt nu voortgezet met overheidssubsidie

De bodem bestaat uit klei op rivierduin; de essen staan op de zwaarste grond, de eiken op het zand en de weiden en akkers, die ooit zijn gediepploegd, op de overgang tussen beide. Door de kwel zowel vanuit de Heuvelrug als de Nederrijn zijn veel delen vrij vochtig of nat, vooral de percelen essenhakhout, maar er is een goede ontwatering via de talrijke sloten en greppels en de Ameronger Wetering. Volgens de Beaufort was Kolland oorspronkelijk veel droger maar is door de stuw bij Maurik het grondwater door kwel uit de rivier veel hoger geworden.

Het weilandgebied is diep ontwaterd, maar vanwege de aanwezigheid van kwel heeft dit weinig invloed op de grondwaterstanden in de bosgedeelten. In de winter van 2003-2004 is een groot deel van het hakhout in het zuidelijke deel van het gebied gekapt en afgevoerd In het gebied zijn sinds de vorige inventarisatie een aantal natuurontwikkelingsmaatregelen genomen. Zo zijn een aantal poelen gegraven, en zijn de grondwaterstanden in de bosgedeeltes verhoogd door het plaatsen van stuwen in de sloten.

De grootschalige kap in het essenhakhout was nodig om een achterstand in het beheer in te halen. Binnen 2 jaar wordt dit meer continu en minder grootschalig. Ook eikenbosgedeelten worden gedund zodat er meer licht in komt; dood hout en een aantal oude en broedbomen worden gespaard.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Klik op foto voor uitvergroting

Gekapt essen-hakhout
(foto: Han Runhaar)

Planteninventarisatie Landgoed Kolland in 2004

Onderzoeksmethode

Tussen half april en half september is in totaal 5 keer een bezoek aan het gebied gebracht door 3 à 4 personen. De inventarisatie is uitgevoerd door Dirk Prins, Gerrit Bax, Douwe van Dam, Leny Huitzing en Herman Thunnissen.  Tijdens de inventarisaties van de broedvogels werden ook enkele plantengegevens genoteerd. Op een Floron streeplijst (naar Heukels' Flora van Nederland ed. 22) werden de aangetroffen soorten genoteerd inclusief een indicatie van de abundantie via een vereenvoudigde Tansley methode.  Bovendien werd op een kaartje van het Landgoed (A4 formaat) globale aantekeningen gemaakt over de positie van de verschillende percelen weide, akker, essenhakhout (deels recent gekapt, deels nog opgaand), bos, eikenlaan of rij knotwilgen, en tevens de plaats van een aantal interessante plantensoorten. Voor Floron is tevens een streeplijst ingevuld van het km.hok (Am.coörd. 157.445) waarin ruim de helft van het terrein ligt.

Bij de verwerking van de gegevens is via de Standaardlijst van de Nederlandse Flora 1983 nagegaan hoe de soorten zijn verdeeld over de ecologische groepen.

Samenvatting inventarisatie en vegetatieanalyse en conclusies.

De inventarisatie van de flora (Hogere planten) van het Landgoed Kolland nabij Amerongen door leden van de Plantenwerkgroep KNNV Wageningen en Omstreken in 2004 leverde een plantenlijst van 252 soorten op. Er werden geen soorten aangetroffen die voorkomen op de Rode Lijst 2000 maar wel meerdere planten die interessant zijn wegens hun zeldzaamheid en/of het indiceren van een bijzonder of niet algemeen biotoop, zoals Bosbies, Elzenzegge, Gevleugeld hertshooi, Groot heksenkruid, Holpijp, Vogelkers, Waterviolier en IJle zegge.

Een vegetatieanalyse met behulp van de Standaardlijst van de Nederlandse Flora 1983 geeft aan dat er meerdere biotopen sterk vertegenwoordigd zijn, vooral die van de Onkruiden (21 %), Storings- en natte pionierplanten (14 %), Water- en oeverplanten (16 %), planten van Bemeste graslanden (16 %), soorten van Bosranden en struwelen (12 %) en de Bosplanten (bijna 17 %). Dit is begrijpelijk gezien de grote variatie aan percelen met een verschillend gebruik en beheer zoals weiden, akkers, essenhakhout, opgaand eiken- en populierenbos, houtwallen en laanbomen langs wegen en paden, knotwilgen en struwelen, met een grote verscheidenheid aan aangeplante (en spontane) inheemse houtige soorten zoals es, eik, els, populier, ratelpopulier, wilg, sleedoorn, meidoorn, Gelderse roos, hondsroos en lijsterbes. Bovendien zijn er zijn twee abiotische factoren die een bijzondere rol spelen, namelijk de bodemsoort, rivierklei op zand (met een vrij lage ligging) en de kwel uit zowel de Nederrijn aan de zuidzijde als vanuit de Heuvelrug aan de noordzijde.

Het is daarom niet verwonderlijk dat de gelijktijdig uitgevoerde paddenstoelen- en broedvogelinventarisaties ook veel bijzondere soorten opleverden. Dat er bovendien Reeën zijn in het gebied zegt ook iets over de brede diversiteit aan soorten.E r zijn voorts enkele poelen aangelegd waar ongetwijfeld padden, kikkers en salamanders van profiteren en misschien ook Ringslangen.

Ecologisch gezien zou je nog wel een of twee iets minder gunstige factoren kunnen aanwijzen, namelijk de bemesting van de (maïs en bieten)akkers en weiden die enige eutrofiërende en verzurende invloed kan uitoefenen, maar waaraan de (zure) regen zoals bekend ook aan zal bijdragen. De plaatselijk overvloedige, wat verstikkende groei van Ruwe smele en Riet, en in mindere mate Liesgras en Rietgras, en de overvloedige groei van Braam in de bosgedeelten, vormen hier misschien een getuigenis van. Het Riet wordt veelal gemaaid (maar niet afgevoerd), maar de Ruwe smele vormt blijvende zeer stugge plekken en pollen gras tussen grote delen van het essen- en elzenhakhout en in enkele bosgedeelten. Wat dit betreft is er misschien enig nadeel aan het vermengen van agrarisch beheer en bosbouw, maar anderzijds is dit in landschappelijk opzicht juist weer zo fraai.

Ook in het verslag van de mosseninventarisatie wordt op de nadelige dat wil zeggen soorten verarmende-, vervlakkende (verruigende) effecten van de verzuring gewezen, naast de effecten van verdroging door bedijking en ontwatering -- maar deze wordt, zoals de Beaufort ons meedeelde, in het beheer juist tegengegaan en ook de stuw in de Rijn bij Maurik draagt door extra kwel bij aan de vernatting. Het aangekondigde kleinschaliger bos- en kapbeheer zal meer variatie in de ouderdomsklassen geven dus minder eenvormig opgaand hout en minder grote kapvlakten. Anderzijds geeft dit wel enige meer een- of tweejaarlijkse verstoring in het gebied, maar op een beperkter schaal.

Beheersaanbevelingen.

Suggesties voor het beheer en vooral voor eventuele verbeteringen hierin, zijn niet eenvoudig te geven. Mogelijk zou wat meer ruimtelijke scheiding tussen enerzijds weiden en akkers en anderzijds hakhout en bos misschien beide functies wat kunnen doen optimaliseren, maar dan zou juist aan die landschappelijk zo interessante vervlechting afbreuk worden gedaan en meer eentonigheid ontstaan zoals dat elders in Nederland al zo vaak troef is. In de bemestingsvoorschriften kennen wij geen details wat betreft het Landgoed Kolland; landelijk gezien is er volgens de EG regelgeving vanuit Brussel in Nederland nog steeds sprake van overbemesting ondanks een verscherping van de regels. We weten van de heer Bosch dat hij de natuur zeer toegenegen was en daarom zijn Landgoederen altijd gedifferentieerd beheerde, en dit blijkt ook wel uit de resultaten van onze inventarisaties.

Een vergelijkbaar punt hierin is ook de ontwatering, die vooral 's winters in een natuurgebied altijd wat minder doorgevoerd behoeft te worden. Door de inhaalslag in de cyclus van het hakken van de essen en het onderhoud aan de eikenbossen zal de kleinschaligheid in het beheer weer terugkeren zodat er meer variatie ontstaat in de grootteklassen.

Klik op foto voor uitvergroting

Essenhakhout met Bosanemoon
(foto: Han Runhaar)

Klik op foto voor uitvergroting

Gele lis in eikenbos
(foto: Han Runhaar)

Broedvogelinventarisatie landgoed Kolland 2004.

Methode

In 2004 is het landgoed Kolland opnieuw door de vogelwerkgroep onderzocht op het voorkomen van broedvogels, nadat het gebied eerder in 1999 was onderzocht. In onderstaande worden de resultaten uit 2004 gepresenteerd en vergeleken met die van het onderzoek uit 1999.

De inventarisatie en de analyse van de telgegevens is uitgevoerd conform de handleiding bij het Broedvogel Monitoring project van de SOVON. De tellingen zijn uitgevoerd door Theo Hazeleger, Aart Lagerwerf, Piet van Klaveren, Dirk Prins, Han Runhaar, Koen van Setten en Gerard Vernooij. De teldata waren 7, 13 en 27 maart, 10, 17 en 24 april, 1 en 22 mei, 5, 13 en 19 juni, 10 juli (ochtendrondes), 23 juni en 6 juli (losse waarnemingen Dirk Prins tijdens planteninventarisatie), februari (nachttelling bosuilen).

Conclusies en aanbevelingen

De resultaten geven aan dat Kolland voor broedvogels een aantrekkelijk en afwisselend gebied vormt, met als gevolg een groot aantal soorten (waaronder Wielewaal, Spotvogel, Groene specht, Putter, Boerenzwaluw, Bosuil, Zomertortel en Grauwe gans) en territoria. In vergelijking met 1999 is de soortenrijkdom toegenomen. Dit is voor een deel te verklaren uit waarnemersverschillen (meenemen boerderijen en woningen, meer tellingen in zomerperiode), maar is waarschijnlijk ook voor een deel gebaseerd op een werkelijke toename in het aantal soorten. Zo is het aantal moerasvogels toegenomen als gevolg van de aanleg van poelen.

Het kappen van het bos heeft slechts een beperkte invloed gehad op het aantal broedvogels. Anders dan in 1999, toen de werkzaamheden werden uitgevoerd in april, werd het kappen vroeg in het jaar uitgevoerd en was het hout eind maart al grotendeels afgevoerd. Op korte termijn heeft het kappen negatieve gevolgen, vooral voor vroeg broedende soorten en soorten van oudere bossen. Dat wordt echter ruimschoots goedgemaakt door de voor veel broedvogels aantrekkelijke variatie in de vegetatiestructuur die ontstaat door het periodieke kappen van de Essen. Wellicht zou het kappen nog wat meer in de tijd gespreid kunnen worden. Nu is in één keer een vrij groot deel van het essenhakhout gekapt (figuur 2, 3). Voor sommige ‘pioniersoorten’ is dat ongetwijfeld gunstig (in 2004: Putter en Spotvogel), maar het risico is dat soorten die aan wat oudere stadia van het essenhakhout gebonden zijn verdwijnen door dat tijdelijk voor hen geen geschikt biotoop aanwezig is. De grootschalige kap was volgens de beheerder, de heer de Beaufort, noodzakelijk omdat er grote achterstanden waren in het beheer. Het is de bedoeling in de toekomst regelmatiger en op kleinere schaal te kappen. Verder zijn er plannen om het eikenbos in het centrum van het gebied te dunnen om meer licht te brengen in deze nu zeer gesloten bosjes. Daarbij zullen volgens de beheerder dood hout en kenmerkende (oude) bodem gespaard blijven.

Het voorkomen van broedvogels is nu vrijwel beperkt tot de bosgedeelten en de aanwezige poelen. De weilanden worden dermate intensief gebruikt dat hier voor weidevogels geen mogelijkheden aanwezig zijn. Een extensiever beheer (minder mest, later maaien, hoger waterpeil) zou mogelijk op termijn kunnen leiden tot een toename van de soortenrijkdom in de graslandgebieden. Echter, voor echte weidevogels als Kievit en Grutto is het landschap waarschijnlijk te besloten en de predatiedruk te groot om hoge aantallen te kunnen verwachten (figuur 4). Maar bij planten en insecten zal een extensiever beheer ongetwijfeld leiden tot een toename van het aantal soorten en het aantal individuen en daarmee indirect ook een positieve invloed hebben op de rijkdom aan broedvogels. Eventueel zou een extensiever beheer beperkt kunnen worden tot de slootkanten, waar de grootste invloed op de soortenrijkdom te verwachten is.

Een vergelijking van de resultaten van de inventarisaties in 1999 en 2004 laat zien dat het van belang is om te kunnen beschikken over voldoende waarnemingen in de zomerperiode (juni en juli). Anders dan in bosgebieden op zand beginnen veel soorten van voedselrijke bossen en moerassen pas laat met broeden. Het verdient daarom aanbeveling om bij een volgende inventarisatie ook voldoende rondes in juni en juli in te plannen.


Voor meer bijzonderheden over de planten en vogelinventarisaties en de gebruikte litereratuur wordt verwezen naar het rapport (Redactieadres: D. Prins, Asterstraat 3, 3911 WE Rhenen; email: dir.prins@planet.nl):
Inventarisatie vaatplanten en broedvogels in landgoed Kolland, 2004. D. Prins, J. Runhaar en G.M. Bax (red.). Uitgave KNNV afdeling Wageningen en Omstreken.


Klik op foto voor uitvergroting

(foto: Han Runhaar)
 
bovenkant pagina

laatste wijziging: 04-06-2008