Gebiedsbeschrijving
Het Landgoed Kolland is 118 ha groot en ligt circa 2 km
ten westen van Amerongen tussen de winterdijk van de Nederrijn aan de
zuidoostzijde en de Ameronger Wetering nabij Leersum (en de Utrechtse
Heuvelrug) aan de noordwestzijde. Aan de zuidkant wordt het
gebied begrensd door de Lekdijk, aan de oostkant ligt het landgoed
Zuylestein.
Qua gebruik en landschap is het zeer gevarieerd van
samenstelling, met een afwisseling van langwerpig rechthoekige percelen en
perceeltjes weiden, akkers, essenhakhout, essenbos, eikenbos,
populierenbos, gemengd bos (ook met berken), eikenlanen, paden en wegen
met rijen eiken, populieren, elzen en knotelzen, wilgen of struwelen
daarvan, knotwilgen, met tussenliggend veel sloten, slootjes en greppels
(in een noordwest-zuidoostoriëntatie), zodat je bijna van een
'romantisch' landgoed kunt spreken. Er liggen aan de randen enkele
pachtboerderijen en in het gebied is ook een burgerwoning aanwezig.
Het Landgoed is in het begin van de 20e eeuw als
jachtterrein aangekocht door de grootvader van de voorlaatste
eigenaar-beheerder de heer Jhr.Mr.L.H.N.F.M. Bosch Ridder van Rosenthal
die eind 2004 is overleden. Het is al eerder ondergebracht in een familie
BV die valt onder de Natuurschoonwet. Volgens de huidige beheerder (tevens
voorzitter van de BV) W. de Beaufort was Kolland vanouds een
productiebedrijf met eiken- en essenhakhout en fruitboomgaarden maar is
het eikenhakhout omgevormd tot opgaand eikenbos en de boomgaarden tot
grasland. De staken van het essenhakhout werden verkocht voor waterwerken
en stelen van gereedschap; de zevenjarige cyclus van het hakken wordt nu
voortgezet met overheidssubsidie
De bodem bestaat uit klei op rivierduin; de essen staan op de zwaarste
grond, de eiken op het zand en de weiden en akkers, die ooit zijn
gediepploegd, op de overgang tussen beide. Door de kwel zowel vanuit de
Heuvelrug als de Nederrijn zijn veel delen vrij vochtig of nat, vooral de
percelen essenhakhout, maar er is een goede ontwatering via de talrijke
sloten en greppels en de Ameronger Wetering. Volgens de Beaufort was
Kolland oorspronkelijk veel droger maar is door de stuw bij Maurik het
grondwater door kwel uit de rivier veel hoger geworden.
Het weilandgebied is diep ontwaterd, maar vanwege de
aanwezigheid van kwel heeft dit weinig invloed op de grondwaterstanden in
de bosgedeelten. In de winter van 2003-2004 is een groot deel van het
hakhout in het zuidelijke deel van het gebied gekapt en afgevoerd In het
gebied zijn sinds de vorige inventarisatie een aantal
natuurontwikkelingsmaatregelen genomen. Zo zijn een aantal poelen
gegraven, en zijn de grondwaterstanden in de bosgedeeltes verhoogd door
het plaatsen van stuwen in de sloten.
De grootschalige kap in het essenhakhout was nodig om een achterstand
in het beheer in te halen. Binnen 2 jaar wordt dit meer continu en minder
grootschalig. Ook eikenbosgedeelten worden gedund zodat er meer licht in
komt; dood hout en een aantal oude en broedbomen worden gespaard. |
Klik op foto voor uitvergroting
Gekapt essen-hakhout
(foto: Han Runhaar) |
Planteninventarisatie Landgoed Kolland in 2004
Onderzoeksmethode
Tussen half april en half september is in totaal 5 keer
een bezoek aan het gebied gebracht door 3 à 4 personen. De inventarisatie
is uitgevoerd door Dirk Prins, Gerrit Bax, Douwe van Dam, Leny Huitzing en
Herman Thunnissen. Tijdens de inventarisaties van de broedvogels
werden ook enkele plantengegevens genoteerd. Op een Floron streeplijst
(naar Heukels' Flora van Nederland ed. 22) werden de aangetroffen soorten
genoteerd inclusief een indicatie van de abundantie via een vereenvoudigde
Tansley methode. Bovendien werd op een kaartje van het Landgoed (A4
formaat) globale aantekeningen gemaakt over de positie van de
verschillende percelen weide, akker, essenhakhout (deels recent gekapt,
deels nog opgaand), bos, eikenlaan of rij knotwilgen, en tevens de plaats
van een aantal interessante plantensoorten. Voor Floron is tevens een
streeplijst ingevuld van het km.hok (Am.coörd. 157.445) waarin ruim de
helft van het terrein ligt.
Bij de verwerking van de gegevens is via de
Standaardlijst van de Nederlandse Flora 1983 nagegaan hoe de soorten zijn
verdeeld over de ecologische groepen.
Samenvatting inventarisatie en vegetatieanalyse en conclusies.
De inventarisatie van de flora (Hogere planten) van het
Landgoed Kolland nabij Amerongen door leden van de Plantenwerkgroep KNNV
Wageningen en Omstreken in 2004 leverde een plantenlijst van 252 soorten
op. Er werden geen soorten aangetroffen die voorkomen op de Rode Lijst
2000 maar wel meerdere planten die interessant zijn wegens hun
zeldzaamheid en/of het indiceren van een bijzonder of niet algemeen
biotoop, zoals Bosbies, Elzenzegge, Gevleugeld hertshooi, Groot
heksenkruid, Holpijp, Vogelkers, Waterviolier en IJle zegge.
Een vegetatieanalyse met behulp van de Standaardlijst
van de Nederlandse Flora 1983 geeft aan dat er meerdere biotopen sterk
vertegenwoordigd zijn, vooral die van de Onkruiden (21 %), Storings- en
natte pionierplanten (14 %), Water- en oeverplanten (16 %), planten van
Bemeste graslanden (16 %), soorten van Bosranden en struwelen (12 %) en de
Bosplanten (bijna 17 %). Dit is begrijpelijk gezien de grote variatie aan
percelen met een verschillend gebruik en beheer zoals weiden, akkers,
essenhakhout, opgaand eiken- en populierenbos, houtwallen en laanbomen
langs wegen en paden, knotwilgen en struwelen, met een grote
verscheidenheid aan aangeplante (en spontane) inheemse houtige soorten
zoals es, eik, els, populier, ratelpopulier, wilg, sleedoorn, meidoorn,
Gelderse roos, hondsroos en lijsterbes. Bovendien zijn er zijn twee
abiotische factoren die een bijzondere rol spelen, namelijk de bodemsoort,
rivierklei op zand (met een vrij lage ligging) en de kwel uit zowel de
Nederrijn aan de zuidzijde als vanuit de Heuvelrug aan de noordzijde.
Het is daarom niet verwonderlijk dat de gelijktijdig
uitgevoerde paddenstoelen- en broedvogelinventarisaties ook veel
bijzondere soorten opleverden. Dat er bovendien Reeën zijn in het gebied
zegt ook iets over de brede diversiteit aan soorten.E r zijn voorts enkele
poelen aangelegd waar ongetwijfeld padden, kikkers en salamanders van
profiteren en misschien ook Ringslangen.
Ecologisch gezien zou je nog wel een of twee iets
minder gunstige factoren kunnen aanwijzen, namelijk de bemesting van de
(maïs en bieten)akkers en weiden die enige eutrofiërende en verzurende
invloed kan uitoefenen, maar waaraan de (zure) regen zoals bekend ook aan
zal bijdragen. De plaatselijk overvloedige, wat verstikkende groei van
Ruwe smele en Riet, en in mindere mate Liesgras en Rietgras, en de
overvloedige groei van Braam in de bosgedeelten, vormen hier misschien een
getuigenis van. Het Riet wordt veelal gemaaid (maar niet afgevoerd), maar
de Ruwe smele vormt blijvende zeer stugge plekken en pollen gras tussen
grote delen van het essen- en elzenhakhout en in enkele bosgedeelten. Wat
dit betreft is er misschien enig nadeel aan het vermengen van agrarisch
beheer en bosbouw, maar anderzijds is dit in landschappelijk opzicht juist
weer zo fraai.
Ook in het verslag van de mosseninventarisatie wordt op
de nadelige dat wil zeggen soorten verarmende-, vervlakkende (verruigende)
effecten van de verzuring gewezen, naast de effecten van verdroging door
bedijking en ontwatering -- maar deze wordt, zoals de Beaufort ons
meedeelde, in het beheer juist tegengegaan en ook de stuw in de Rijn bij
Maurik draagt door extra kwel bij aan de vernatting. Het aangekondigde
kleinschaliger bos- en kapbeheer zal meer variatie in de ouderdomsklassen
geven dus minder eenvormig opgaand hout en minder grote kapvlakten.
Anderzijds geeft dit wel enige meer een- of tweejaarlijkse verstoring in
het gebied, maar op een beperkter schaal.
Beheersaanbevelingen.
Suggesties voor het beheer en vooral voor eventuele
verbeteringen hierin, zijn niet eenvoudig te geven. Mogelijk zou wat meer
ruimtelijke scheiding tussen enerzijds weiden en akkers en anderzijds
hakhout en bos misschien beide functies wat kunnen doen optimaliseren,
maar dan zou juist aan die landschappelijk zo interessante vervlechting
afbreuk worden gedaan en meer eentonigheid ontstaan zoals dat elders in
Nederland al zo vaak troef is. In de bemestingsvoorschriften kennen wij
geen details wat betreft het Landgoed Kolland; landelijk gezien is er
volgens de EG regelgeving vanuit Brussel in Nederland nog steeds sprake
van overbemesting ondanks een verscherping van de regels. We weten van de
heer Bosch dat hij de natuur zeer toegenegen was en daarom zijn
Landgoederen altijd gedifferentieerd beheerde, en dit blijkt ook wel uit
de resultaten van onze inventarisaties.
Een vergelijkbaar punt hierin is ook de ontwatering,
die vooral 's winters in een natuurgebied altijd wat minder doorgevoerd
behoeft te worden. Door de inhaalslag in de cyclus van het hakken van de
essen en het onderhoud aan de eikenbossen zal de kleinschaligheid in het
beheer weer terugkeren zodat er meer variatie ontstaat in de
grootteklassen. |
Klik op foto voor uitvergroting
Essenhakhout met Bosanemoon
(foto: Han Runhaar)
Klik op foto voor uitvergroting
Gele lis in eikenbos
(foto: Han Runhaar)
|
Broedvogelinventarisatie landgoed Kolland 2004.
Methode
In 2004 is het landgoed Kolland opnieuw door de
vogelwerkgroep onderzocht op het voorkomen van broedvogels, nadat het
gebied eerder in 1999 was onderzocht. In onderstaande worden de resultaten
uit 2004 gepresenteerd en vergeleken met die van het onderzoek uit 1999.
De inventarisatie en de analyse van de telgegevens is
uitgevoerd conform de handleiding bij het Broedvogel Monitoring project
van de SOVON. De tellingen zijn uitgevoerd door Theo Hazeleger, Aart
Lagerwerf, Piet van Klaveren, Dirk Prins, Han Runhaar, Koen van Setten en
Gerard Vernooij. De teldata waren 7, 13 en 27 maart, 10, 17 en 24 april, 1
en 22 mei, 5, 13 en 19 juni, 10 juli (ochtendrondes), 23 juni en 6 juli
(losse waarnemingen Dirk Prins tijdens planteninventarisatie), februari
(nachttelling bosuilen).
Conclusies en aanbevelingen
De resultaten geven aan dat Kolland voor broedvogels
een aantrekkelijk en afwisselend gebied vormt, met als gevolg een groot
aantal soorten (waaronder Wielewaal, Spotvogel, Groene specht, Putter,
Boerenzwaluw, Bosuil, Zomertortel en Grauwe gans) en territoria. In
vergelijking met 1999 is de soortenrijkdom toegenomen. Dit is voor een
deel te verklaren uit waarnemersverschillen (meenemen boerderijen en
woningen, meer tellingen in zomerperiode), maar is waarschijnlijk ook voor
een deel gebaseerd op een werkelijke toename in het aantal soorten. Zo is
het aantal moerasvogels toegenomen als gevolg van de aanleg van poelen.
Het kappen van het bos heeft slechts een beperkte
invloed gehad op het aantal broedvogels. Anders dan in 1999, toen de
werkzaamheden werden uitgevoerd in april, werd het kappen vroeg in het
jaar uitgevoerd en was het hout eind maart al grotendeels afgevoerd. Op
korte termijn heeft het kappen negatieve gevolgen, vooral voor vroeg
broedende soorten en soorten van oudere bossen. Dat wordt echter
ruimschoots goedgemaakt door de voor veel broedvogels aantrekkelijke
variatie in de vegetatiestructuur die ontstaat door het periodieke kappen
van de Essen. Wellicht zou het kappen nog wat meer in de tijd gespreid
kunnen worden. Nu is in één keer een vrij groot deel van het
essenhakhout gekapt (figuur 2, 3). Voor sommige ‘pioniersoorten’ is
dat ongetwijfeld gunstig (in 2004: Putter en Spotvogel), maar het risico
is dat soorten die aan wat oudere stadia van het essenhakhout gebonden
zijn verdwijnen door dat tijdelijk voor hen geen geschikt biotoop aanwezig
is. De grootschalige kap was volgens de beheerder, de heer de Beaufort,
noodzakelijk omdat er grote achterstanden waren in het beheer. Het is de
bedoeling in de toekomst regelmatiger en op kleinere schaal te kappen.
Verder zijn er plannen om het eikenbos in het centrum van het gebied te
dunnen om meer licht te brengen in deze nu zeer gesloten bosjes. Daarbij
zullen volgens de beheerder dood hout en kenmerkende (oude) bodem gespaard
blijven.
Het voorkomen van broedvogels is nu vrijwel beperkt tot
de bosgedeelten en de aanwezige poelen. De weilanden worden dermate
intensief gebruikt dat hier voor weidevogels geen mogelijkheden aanwezig
zijn. Een extensiever beheer (minder mest, later maaien, hoger waterpeil)
zou mogelijk op termijn kunnen leiden tot een toename van de
soortenrijkdom in de graslandgebieden. Echter, voor echte weidevogels als
Kievit en Grutto is het landschap waarschijnlijk te besloten en de
predatiedruk te groot om hoge aantallen te kunnen verwachten (figuur 4).
Maar bij planten en insecten zal een extensiever beheer ongetwijfeld
leiden tot een toename van het aantal soorten en het aantal individuen en
daarmee indirect ook een positieve invloed hebben op de rijkdom aan
broedvogels. Eventueel zou een extensiever beheer beperkt kunnen worden
tot de slootkanten, waar de grootste invloed op de soortenrijkdom te
verwachten is.
Een vergelijking van de resultaten van de
inventarisaties in 1999 en 2004 laat zien dat het van belang is om te
kunnen beschikken over voldoende waarnemingen in de zomerperiode (juni en
juli). Anders dan in bosgebieden op zand beginnen veel soorten van
voedselrijke bossen en moerassen pas laat met broeden. Het verdient daarom
aanbeveling om bij een volgende inventarisatie ook voldoende rondes in
juni en juli in te plannen.
Voor meer bijzonderheden over de planten en vogelinventarisaties en de
gebruikte litereratuur wordt verwezen naar het rapport (Redactieadres: D.
Prins, Asterstraat 3, 3911 WE Rhenen; email: dir.prins@planet.nl):
Inventarisatie vaatplanten en broedvogels in landgoed Kolland, 2004. D.
Prins, J. Runhaar en G.M. Bax (red.). Uitgave KNNV afdeling Wageningen en
Omstreken. |
Klik op foto voor uitvergroting
(foto: Han Runhaar)
|